Ga naar de inhoud

Jeukende woorden

Ik heb vroeger veel verhalen geschreven. Maar op een gegeven moment maakte het niet uit of ik twintig, veertig of tachtig pagina’s schreef. Het verhaal kwam nooit af. Daar ging mijn droom om boeken te schrijven. Ik kon toch nooit iets afmaken. Maar ik ben wel blijven schrijven. Sommige verhalen vond ik vreselijk, maar ik schreef toch alleen maar voor mezelf, dus dat maakte niet uit. Maar ja. Een echt boek schrijven. Dat zou toch nog steeds heel leuk zijn…

Een aantal jaar geleden wilde ik het toch nog een keer proberen. Want ik had ook verhalen die ik echt leuk vond, waar ik met veel plezier aan heb geschreven. En het is toch zonde om die in de doos te laten liggen. Ik heb een paar verhalen opgepakt en afgestoft en samengevoegd. En toen ging het schrijven bijna vanzelf. Ik had honderd pagina’s: zoveel had ik nog nooit aan een verhaal geschreven. Toen tweehonderd. En toen was het af. Ik was er heel blij mee en heel trots op, maar toch is het blijven liggen.

Een paar jaar en heel veel mentale schoppen onder mijn kont van manlief verder, heb ik het uiteindelijk toch opgestuurd naar de uitgeverij. Met bonkend hoofd en zwetende handjes. En toen heb ik gewacht. En toen was er contact. En toen was er een contract. Ik kon weer ademhalen. En die droom van mij kan toch uitkomen. Wat fantastisch is dat!

Ik dacht dat ik klaar was met mijn boek. Dat dacht ik vier jaar geleden al. In de tussentijd is er toch nog heel veel veranderd. Ik heb het nog regelmatig doorgelezen. Elke keer dat ik het las, vond ik wel weer een paar kleine dingen die aangepast moesten worden. Maar op een gegeven moment moet het klaar zijn. Toch? Ik krijg nog tot het einde van het jaar de tijd om het definitieve manuscript in te leveren. Dat is veel tijd, dat heb ik niet nodig, dacht ik. Ik lees het nog één keer door. Ik kom ongetwijfeld nog een paar tikfouten tegen. Die krengen sluipen er altijd weer in: het lijkt wel of ze stiekem achter je rug om in je zinnen gaan nestelen. Want je snapt niet dat ze na tien keer lezen er nog steeds in kunnen zitten. Maar meer dan dat zal het niet zijn. Ik kan het snel opsturen. Dacht ik.

En dan kom ik dingen tegen. Dingen waarvan ik tijdens het schrijven dacht: “daar denk ik later wel over na.” Maar ik hebt er nooit meer over nagedacht. Ik heb alles vaak opnieuw doorgelezen, en ik dacht dat ik heel kritisch op mezelf was. Maar als je alleen op spelling let, dan zie je heel veel andere dingen niet. Er zaten stukken in het boek die op een of andere manier jeukten, elke keer dat ik ze las. Maar ik dacht dat ze in het verhaal hoorden en ik zag niet hoe het anders kon. En nu lees ik eindelijk op een andere manier en denk ik na over al die dingen die ik voor later bewaard heb. En die jeukende stukjes, die jeuken niet meer. Misschien horen ze wel bij het verhaal, zijn ze “echt” gebeurd, maar ik weet nu dat ik ze niet alles hoef te vertellen. Ze horen bij het verhaal, maar ze hoeven niet in het boek. Jullie zullen ze niet missen. En mijn jeuk is verlicht. Dat lucht op!